Een praktijk loopt verrichtingen mis wanneer er structureel minder wordt gedeclareerd dan op basis van de daadwerkelijk geleverde zorg is toegestaan. Dit is geen uitzondering: de meeste huisartsenpraktijken laten jaarlijks aanzienlijke bedragen aan rechtmatige inkomsten liggen, simpelweg omdat bepaalde verrichtingen niet worden herkend, niet worden geregistreerd of niet worden ingediend. De vragen hieronder helpen je herkennen waar het misgaat en wat je eraan kunt doen.
Welke signalen wijzen op gemiste verrichtingen?
Een praktijk loopt verrichtingen mis wanneer de declaratie-opbrengst structureel achterblijft bij de omvang en het type zorg dat wordt geleverd. Concrete signalen zijn: een omzet die lager uitvalt dan de accountant verwacht, een opvallend lage verhouding tussen het aantal consulten en het aantal gedeclareerde verrichtingen, of assistentes die twijfelen welke code bij een bepaalde handeling hoort.
Andere herkenbare signalen zijn:
- Verrichtingen worden wel uitgevoerd maar niet geregistreerd, omdat niemand in het team weet dat ze declarabel zijn.
- De praktijkhouder heeft gedelegeerd aan assistentes, maar er zijn geen eenduidige interne afspraken over wie wat registreert.
- Bij vertrek van een ervaren medewerker verdwijnt ook de declaratiekennis die zij in haar hoofd had.
- Nieuwe NZa-tarieven of codes worden niet actief bijgehouden door het team.
Het knagende vermoeden dat er geld blijft liggen, maar zonder zicht op precies waar, is op zichzelf al een signaal dat een grondige check nodig is.
Welke verrichtingen worden het vaakst niet gedeclareerd?
De verrichtingen die het vaakst worden gemist, vallen in drie categorieën: M&I-verrichtingen (modernisering en innovatie), ketenzorgprestaties en aanvullende consulttypes. Dit zijn prestaties die wel degelijk zijn geleverd, maar waarbij de koppeling tussen de klinische handeling en de bijbehorende declaratiecode niet automatisch wordt gemaakt.
Voorbeelden van structureel gemiste verrichtingen zijn:
- Telefonische en digitale consulten die niet als consult worden geregistreerd.
- Kleine chirurgische ingrepen of wondbehandelingen waarvoor een aparte verrichting van toepassing is.
- POH-consulten die niet volledig worden doorbelast of waarbij de juiste prestatiecode ontbreekt.
- M&I-modules waarvoor de praktijk is geaccrediteerd, maar die niet consequent worden gedeclareerd.
- Dubbele problematiek binnen één consult, waarbij alleen het hoofdprobleem wordt geregistreerd.
Het gaat zelden om grote, opvallende missers. Het gaat om kleine patronen die zich dagelijks herhalen en aan het einde van het jaar optellen tot tienduizenden euro’s aan gemiste rechtmatige inkomsten.
Hoe komt het dat declaratiefouten structureel ontstaan?
Declaratiefouten ontstaan structureel door een combinatie van ingesleten routines, onvolledige kennis en onduidelijke taakverdeling binnen het team. Declareren is in de meeste praktijken geen bewust proces, maar een automatisme dat jaren geleden is ingesleten en sindsdien niet fundamenteel is herzien.
De kern van het probleem is gedrag, niet intentie. Een huisarts is medisch opgeleid en beschouwt declareren als een administratieve bijzaak. Assistentes doen wat ze altijd hebben gedaan, zonder te weten wat ze niet weten. Nieuwe codes of tariefwijzigingen van de NZa bereiken het team niet altijd tijdig, en als ze dat wel doen, worden ze niet altijd vertaald naar gewijzigde werkroutines.
Bovendien is declaratiekennis in veel praktijken persoonsgebonden: één medewerker weet hoe het werkt, de rest volgt haar voorbeeld. Dat maakt de praktijk kwetsbaar. Valt die persoon weg door ziekte of vertrek, dan valt ook de kennis weg. Een structurele aanpak vraagt om gedeelde kennis, vaste afspraken en routines die onafhankelijk zijn van één individu. Precies dat is waar de training Optimaal Declareren op inspeelt: kennis omzetten in teamgedrag dat beklijft.
Wat is het verschil tussen onderdeclareren en fraude?
Onderdeclareren betekent dat een praktijk minder declareert dan waar zij op basis van geleverde zorg recht op heeft. Fraude betekent dat er meer of iets anders wordt gedeclareerd dan daadwerkelijk is geleverd. Dit zijn tegenovergestelde problemen: onderdeclareren kost de praktijk geld, fraude is een strafbaar feit.
Het onderscheid is belangrijk, omdat veel praktijkhouders bang zijn om te declareren wat hun toekomt, uit angst dat het als fraude wordt gezien. Die angst is begrijpelijk maar ongegrond wanneer de declaratie aansluit bij de werkelijk geleverde zorg en voldoet aan de geldende NZa-richtlijnen. Correct en volledig declareren is geen agressieve strategie, het is een professionele verplichting.
Optimaal declareren, zoals Ord’us dat definieert, betekent: nauwkeurig, volledig en consistent declareren wat daadwerkelijk is geleverd. Nooit meer dan is toegestaan, maar ook nooit structureel minder dan waar de praktijk recht op heeft. Dat geeft niet alleen financiële ruimte, maar ook juridische zekerheid en gemoedsrust tegenover zorgverzekeraars.
Hoe kan een praktijk zelf een eerste check uitvoeren?
Een praktijk voert een eerste check uit door de eigen declaratiedata te vergelijken met de daadwerkelijk geleverde zorg over een representatieve periode. Concreet betekent dit: loop een willekeurige week terug in het HIS en vergelijk het aantal en type consulten met de ingediende verrichtingencodes. Waar de registratie stopt maar de zorg doorging, zit het lek.
Praktische stappen voor een interne check:
- Selecteer een recente week en inventariseer alle contactmomenten, inclusief telefonisch en digitaal.
- Controleer per contactmoment of er een bijbehorende declaratiecode is ingediend.
- Identificeer terugkerende typen zorg die structureel niet worden geregistreerd.
- Vergelijk de gebruikte codes met de actuele NZa-tarieflijst voor 2026 om verouderde of ontbrekende codes te signaleren.
- Bespreek de bevindingen met het hele team, inclusief POH en assistentes.
Deze interne check geeft een eerste indicatie, maar mist de diepgang om alle M&I-mogelijkheden en minder bekende prestaties in beeld te brengen. Voor een volledig beeld is een gestructureerde externe beoordeling effectiever.
Wanneer is externe hulp bij declareren zinvol?
Externe hulp bij declareren is zinvol zodra een praktijk vermoedt dat er structureel inkomsten worden misgelopen, maar intern niet de kennis of tijd heeft om dat systematisch in kaart te brengen en te corrigeren. Een eenmalige check volstaat niet als de oorzaak ligt in ingesleten gedragspatronen van het hele team.
Externe begeleiding voegt waarde toe in drie situaties:
- De praktijk heeft nooit een grondige declaratieaudit gehad en wil weten wat er te halen valt.
- Er zijn personeelswisselingen geweest waardoor declaratiekennis is weggevallen.
- De omzet groeit niet mee met de groei in patiëntaantal of zorgcomplexiteit.
Ord’us biedt hiervoor een concreet startpunt: de rendementstest zet een bedrag op wat er bij een specifieke praktijk aan rechtmatige inkomsten wordt misgelopen. Daarna volgt de interactieve teamtraining op locatie, waarbij het hele team, van huisarts tot assistente tot POH, gezamenlijk kennis opbouwt en directe afspraken maakt die de volgende werkdag al toepasbaar zijn. Via een online leeromgeving blijft die kennis daarna actief door wekelijkse leermomenten en casussen. Meer over de aanpak staat op de trainingspagina van Ord’us.
De vraag wat je als huisarts mag declareren, heeft een helder antwoord: alles wat je daadwerkelijk hebt geleverd en wat binnen de NZa-kaders valt. De uitdaging is niet de regelgeving, maar de dagelijkse praktijk. Externe begeleiding helpt precies daar waar het knelt: het vertalen van kennis naar gedrag dat structureel beklijft.
Gerelateerde artikelen
- Wat zijn de meest gemiste declaraties in een huisartsenpraktijk?
- Wanneer mag je als huisarts een toeslag declareren bovenop het consult?
- Wat zijn de financiële gevolgen van jarenlang onderdeclareren?
- Wat zijn de meest voorkomende vragen over declareren bij huisartsen?
- Wat mag een huisarts in rekening brengen?