Een huisarts mag declareren wat daadwerkelijk is geleverd: ingeschreven patiënten vallen onder het inschrijftarief, maar een groot aantal afzonderlijke verrichtingen, consulten en modules mag bovenop dat tarief apart worden gedeclareerd bij de zorgverzekeraar. Niet de intentie, voorbereiding of geplande handeling, maar wat daadwerkelijk is uitgevoerd, is bepalend voor de declaratie. De NZa stelt de tarieven en voorwaarden vast; de LHV vertaalt die naar praktische richtlijnen voor de dagelijkse praktijk. Welke codes wanneer van toepassing zijn, waar de grenzen liggen en hoe controle werkt, leest u in de secties hieronder.
Welke zorgprestaties vallen onder het inschrijftarief?
Het inschrijftarief is een vast bedrag per ingeschreven patiënt per jaar en dekt de beschikbaarheid van de huisarts voor reguliere huisartsenzorg. Hieronder vallen alle gebruikelijke consulten, telefonische contacten, herhaalrecepten en kortdurende begeleiding die behoren tot de basiszorg van de huisarts. Dit tarief wordt automatisch vergoed door de zorgverzekeraar en vereist geen aparte declaratie per contact.
Concreet omvat het inschrijftarief de volgende zorgvormen:
- Reguliere consulten op de praktijk, inclusief telefonische consulten
- Herhaalrecepten en medicatiebewaking
- Kortdurende begeleiding bij alledaagse klachten
- Administratieve handelingen rondom de zorgverlening aan de ingeschreven patiënt
- Triagefunctie en doorverwijzing naar de tweede lijn
Wat het inschrijftarief niet dekt, zijn verrichtingen met een eigen prestatiecode, ketenzorgprogramma’s, avond- en weekenddiensten via de huisartsenpost, en specifieke behandelingen die de NZa als aparte prestatie heeft gedefinieerd. Precies op die grens lopen veel praktijken onbedoeld geld mis: ze declareren alleen het inschrijftarief terwijl er aanvullende codes van toepassing zijn.
Welke verrichtingen mag een huisarts apart declareren?
Naast het inschrijftarief mag een huisarts een reeks afzonderlijke verrichtingen declareren, elk met een eigen NZa-prestatiecode en tarief. De belangrijkste categorieën zijn: ketenzorg (DM2, COPD, hartfalen, CVRM), achterwacht- en dienstvergoedingen, M&I-verrichtingen (modernisering en innovatie), palliatieve zorg, en specifieke behandelingen zoals kleine chirurgische ingrepen, spiraalplaatsing, ECG-afname of Enkel-armindex (Doppleronderzoek). Bepalend is altijd wat daadwerkelijk is uitgevoerd, niet wat gepland of voorbereid was. Verrichtingen mogen worden uitgevoerd door de huisarts, maar ook door andere bevoegde en bekwame zorgverleners in de praktijk — zoals een doktersassistente, praktijkverpleegkundige of physician assistant (PA) — mits dit past binnen de gemaakte afspraken.
Ketenzorg en modulaire zorg
Ketenzorgprogramma’s worden vergoed via een aparte module per ingeschreven patiënt met een chronische aandoening. De praktijk declareert per kwartaal of per jaar, afhankelijk van de contractafspraken met de zorgverzekeraar. Voorwaarde is dat de geleverde zorg aansluit bij het zorgprogramma en dat de zorg daadwerkelijk is uitgevoerd. Belangrijk aandachtspunt: zorg die al onderdeel is van de ketenzorgvergoeding mag niet afzonderlijk worden gedeclareerd. Voor longfunctieonderzoek geldt specifiek dat dit binnen de COPD-ketenzorg niet apart mag worden gedeclareerd.
M&I-verrichtingen
M&I-verrichtingen zijn specifieke prestaties waarvoor een aanvullende vergoeding wordt ontvangen omdat ze substitutie van tweedelijnszorg mogelijk maken. Voorbeelden zijn uitgebreide consulten voor complexe problematiek, bevolkingsonderzoek-gerelateerde handelingen, Enkel-armindex (Doppleronderzoek) en bepaalde andere diagnostische verrichtingen. Elke M&I-verrichting heeft strikte indicatiecriteria; declaratie is alleen toegestaan als aan die criteria is voldaan én de verrichting daadwerkelijk is uitgevoerd. De verrichting kan worden uitgevoerd door de huisarts of door een andere bevoegde en bekwame zorgverlener binnen de praktijk, mits dit past binnen de gemaakte afspraken.
Wat is het verschil tussen declareren bij de zorgverzekeraar en bij de patiënt?
Het verschil zit in wie betaalt en op welke grondslag. Bij de zorgverzekeraar declareert de huisarts zorg die valt onder de basisverzekering of aanvullende contractafspraken; de patiënt betaalt hier niets extra voor. Bij de patiënt zelf mag een huisarts alleen declareren voor zorg die buiten het verzekerde pakket valt, zoals keuringscertificaten, rijbewijskeuringen of verklaringen voor werkgevers.
Belangrijke afbakening: zorg die al onder het inschrijftarief of een prestatiecode valt, mag niet nogmaals bij de patiënt in rekening worden gebracht. Dubbel declareren is een overtreding van de NZa-regelgeving en leidt tot terugvordering. De vuistregel is eenvoudig: is de prestatie al ergens anders gedekt, dan is een eigen bijdrage aan de patiënt niet toegestaan.
Voor niet-verzekerde zorg geldt dat een marktconform tarief mag worden gehanteerd, maar de patiënt van tevoren duidelijk moet worden geïnformeerd over de kosten. Transparantie over tarieven is zowel een wettelijke verplichting als een praktische bescherming tegen klachten achteraf.
Welke veelgemaakte fouten leiden tot gemiste declaraties?
De meest voorkomende oorzaak van gemiste declaraties is niet onwil, maar onbewustheid: verrichtingen worden uitgevoerd maar niet herkend als declarabel, codes worden niet gekoppeld aan de juiste uitgevoerde handeling, of interne afspraken over wie wat registreert ontbreken volledig. Praktijken laten hierdoor jaarlijks tienduizenden euro’s aan rechtmatige inkomsten liggen.
De meest voorkomende fouten zijn:
- Niet-herkende M&I-indicaties: de verrichting wordt uitgevoerd, maar er wordt geen code aan gekoppeld omdat de indicatiecriteria niet bekend zijn bij de betreffende zorgverlener.
- Onvolledige ketenzorglevering: kwartaalcontroles worden deels uitgevoerd maar niet volledig afgerond, waardoor de module niet of slechts gedeeltelijk declarabel is — of er worden verrichtingen afzonderlijk gedeclareerd die al onderdeel zijn van de ketenzorgvergoeding.
- Ontbrekende vastlegging van contactmomenten: telefonische consulten en e-consulten worden niet als afzonderlijk contact vastgelegd, terwijl declaratie alleen mogelijk is als het contact daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en aantoonbaar is.
- Geen afspraken over taakverdeling: de huisarts neemt aan dat de assistent declareert; de assistent neemt aan dat de huisarts het controleert. Niemand doet het.
- Verouderde kennis over tariefwijzigingen: NZa-tarieven worden jaarlijks aangepast; wie de wijzigingen van 2026 niet heeft verwerkt, declareert op basis van achterhaalde aannames.
Bij de training Optimaal Declareren van Ord’us wordt het huidige kennisniveau van het hele team eerst getoetst, zodat precies zichtbaar wordt waar de blinde vlekken zitten en welk bedrag daarmee gemoeid is.
Wanneer mag een huisarts een verrichting niet declareren?
Een verrichting mag niet worden gedeclareerd als de zorg niet daadwerkelijk is uitgevoerd, als niet aan de indicatiecriteria van de NZa is voldaan, als de prestatie al gedekt is door een ander tarief, of als de contractafspraken met de zorgverzekeraar declaratie uitsluiten. Declareren zonder grondslag is fraude, ook als het per ongeluk gebeurt.
Concrete situaties waarin declaratie niet is toegestaan:
- Een M&I-verrichting declareren zonder dat de indicatie in het dossier is vastgelegd en de verrichting aantoonbaar is uitgevoerd
- Ketenzorgmodules claimen voor patiënten bij wie de zorg in het betreffende kwartaal niet daadwerkelijk is geleverd
- Een consult declareren dat feitelijk niet heeft plaatsgevonden
- Dezelfde prestatie zowel bij de zorgverzekeraar als bij de patiënt in rekening brengen
- Een tarief toepassen waarvoor geen contract of machtiging bestaat
- Verrichtingen die al onderdeel zijn van de ketenzorgvergoeding — zoals longfunctieonderzoek binnen de COPD-ketenzorg — afzonderlijk declareren
Ord’us benadrukt in elke training dat optimaal declareren nadrukkelijk niet hetzelfde is als maximaal declareren. De grens is altijd wat daadwerkelijk is uitgevoerd en wat de NZa-regelgeving toestaat. Kennis van die grens geeft gemoedsrust; onwetendheid erover vormt een risico.
Hoe controleert een zorgverzekeraar de declaraties van een huisarts?
Zorgverzekeraars controleren declaraties via materiële controle en formele controle. Bij formele controle wordt getoetst of de declaratie voldoet aan de technische vereisten: juiste codes, geldige tarieven, correcte patiëntgegevens. Bij materiële controle wordt inhoudelijk getoetst of de gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk en rechtmatig is geleverd, waarbij de zorgverzekeraar inzage kan vragen in het medisch dossier.
Formele controle
Formele controle is geautomatiseerd en vindt plaats bij elke declaratieregel. Het systeem controleert of de prestatiecode bestaat, of het tarief klopt, of de patiënt bij de praktijk is ingeschreven en of de declaratiedatum binnen de geldige periode valt. Fouten leiden direct tot afwijzing of terugvordering.
Materiële controle
Materiële controle is diepgaander en wordt steekproefsgewijs of op basis van signalen uitgevoerd. De zorgverzekeraar analyseert declaratiepatronen en vergelijkt die met vergelijkbare praktijken. Opvallende uitschieters, ongebruikelijk hoge aantallen van specifieke codes of inconsistenties tussen gedeclareerde en verwachte zorgprofielen kunnen aanleiding zijn voor een gerichte controle. Als de verzekeraar concludeert dat zorg ten onrechte is gedeclareerd, volgt terugvordering, soms met terugwerkende kracht over meerdere jaren.
Een goed bijgehouden dossier is de sterkste bescherming bij een controle. Elke declaratie moet herleidbaar zijn naar een gedocumenteerd zorgmoment waaruit blijkt dat de verrichting daadwerkelijk is uitgevoerd en aan de indicatiecriteria is voldaan. Praktijken die werken met eenduidige interne afspraken en een gedeeld kennisniveau, staan bij een controle aanzienlijk sterker dan praktijken die afhankelijk zijn van de kennis van één medewerker.
Wilt u weten hoe uw praktijk er nu voor staat? Ord’us biedt een rendementstest waarmee u concreet ziet wat er bij uw praktijk aan rechtmatige declaraties te halen valt, voordat u een training overweegt.