Een huisarts verdient per consult gemiddeld tussen de 11 en 35 euro, afhankelijk van het type consult, de duur en de geleverde zorg. Dat bedrag klinkt bescheiden, maar het werkelijke inkomen per patiëntcontact hangt sterk af van welke prestatiecode wordt gedeclareerd en of aanvullende verrichtingen correct worden meegenomen. De vragen hieronder leggen precies uit hoe tarieven zijn opgebouwd, waar inkomen verloren gaat en wat een praktijk kan doen om volledig en rechtmatig te declareren.
Hoe wordt het tarief per consult voor huisartsen bepaald?
Het tarief per consult voor huisartsen wordt jaarlijks vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa bepaalt maximumtarieven voor zogenoemde prestaties binnen de huisartsenzorg. Zorgverzekeraars contracteren huisartsen op basis van die tarieven, waarna het daadwerkelijk uitbetaalde bedrag volgt uit de afgesloten overeenkomst tussen praktijk en verzekeraar.
De bekostiging van huisartsenzorg bestaat uit drie segmenten. Segment 1 omvat de inschrijftarieven: een vast bedrag per ingeschreven patiënt per jaar, ongeacht het aantal contacten. Segment 2 bevat de prestaties voor consulten, visites en telefonische contacten. Segment 3 beslaat de modules voor specifieke programmatische zorg, zoals ketenzorg voor diabetes of COPD. Het tarief per individueel consult valt dus altijd binnen een breder financieringsmodel, waarbij de inschrijfvergoeding de basis vormt en de consultvergoeding daar bovenop komt.
Voor 2026 gelden de NZa-tarieven uit de meest recente tariefbeschikking huisartsenzorg. Praktijken die zijn aangesloten bij de LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging) worden actief geïnformeerd over tariefwijzigingen. Het is de verantwoordelijkheid van de praktijk zelf om de juiste tarieven toe te passen en de bijbehorende prestatiecode correct te registreren.
Wat zijn de verschillende soorten consulten en hun tarieven?
Huisartsenzorg kent meerdere typen patiëntcontacten met elk een eigen prestatiecode en tarief. De belangrijkste zijn het reguliere consult op de praktijk, het telefonisch consult, de visite aan huis, het herhaalrecept zonder contact en het consult via beeldbellen. Elk type heeft een eigen maximumtarief dat de NZa jaarlijks publiceert.
Het consult op de praktijk is het meest voorkomende contacttype en kent een standaardtarief voor een contact van gemiddelde duur. Een verlengd consult, waarbij sprake is van een aanzienlijk langere gespreksduur of complexere problematiek, kan onder een hogere prestatiecode worden gedeclareerd, mits de tijdsinvestering dit rechtvaardigt en correct is geregistreerd. De visite aan huis heeft een hoger tarief dan het praktijkconsult, vanwege de extra tijdsinvestering voor reizen en de aard van de zorg.
Telefonische consulten en beeldbelconsulten worden vergoed als volwaardig patiëntcontact, maar worden in de praktijk regelmatig niet gedeclareerd of als een lager contact dan de geleverde zorg rechtvaardigt. Dat is een van de meest voorkomende bronnen van gederfde inkomsten in huisartsenpraktijken.
Wat is het verschil tussen een consult en een verrichting?
Een consult is het patiëntcontact zelf: het gesprek, de anamnese, het onderzoek en het beleid. Een verrichting is een specifieke medische handeling die tijdens of naast dat consult wordt uitgevoerd, zoals een ECG, een wondbehandeling, een injectie of een kleine chirurgische ingreep. Verrichtingen worden apart gedeclareerd bovenop het consult en hebben hun eigen prestatiecodes en tarieven.
Dit onderscheid is in de praktijk van groot belang. Veel praktijken declareren het consult correct, maar vergeten de bijbehorende verrichting toe te voegen. De handeling is dan wel geleverd, maar de vergoeding blijft liggen. Denk aan een consult waarbij ook een ECG wordt gemaakt, een wrat wordt behandeld of een intra-articulaire injectie wordt gegeven: al deze handelingen hebben een aparte declaratiecode die naast het consulttarief mag worden ingediend.
Naast reguliere verrichtingen bestaat er ook de categorie M&I-prestaties (Modernisering en Innovatie). Dit zijn aanvullende vergoedingen voor specifieke zorgprogramma’s of behandelvormen waarvoor een praktijk zich bij de verzekeraar heeft aangemeld. M&I-prestaties worden structureel onderbenut, omdat niet alle praktijkmedewerkers weten voor welke programma’s de praktijk is gecontracteerd en welke codes daarbij horen.
Waarom lopen de inkomsten per consult sterk uiteen tussen praktijken?
De inkomsten per consult verschillen tussen praktijken omdat de werkelijke declaratieopbrengst niet alleen afhangt van het NZa-tarief, maar van drie factoren: welk type contact wordt geregistreerd, of bijbehorende verrichtingen worden meegenomen en of de praktijk gebruikmaakt van alle contractuele mogelijkheden bij de zorgverzekeraar. Op elk van deze drie punten bestaan grote verschillen tussen praktijken.
Een praktijk die telefonische consulten structureel als kort contact registreert terwijl de gespreksduur een volledig consult rechtvaardigt, laat per contact een deel van de vergoeding liggen. Een praktijk die verrichtingen niet koppelt aan het bijbehorende consult, mist de verrichtingstarieven volledig. En een praktijk die niet weet welke M&I-modules zijn gecontracteerd, benut een deel van de afgesproken vergoedingsruimte niet.
Daarboven speelt gedrag een grote rol. Declareren wordt in veel praktijken gedelegeerd aan assistenten, terwijl de kennis over wat mag en moet worden gedeclareerd ongelijk is verdeeld over het team. Vertrekt een medewerker met specifieke declaratiekennis, dan verdwijnt die kennis mee. Ord’us ziet in de praktijk dat dit patroon in vrijwel elke praktijk herkenbaar is, ongeacht omvang of locatie.
Welke consulten worden het vaakst niet of verkeerd gedeclareerd?
De consulten en contacten die het vaakst worden gemist of verkeerd gecodeerd zijn: telefonische consulten die als herhaalrecept worden geregistreerd, verlengde consulten die als standaardconsult worden ingediend, visites waarbij de verrichtingen niet worden meegedeclareerd en beeldbelconsulten die helemaal niet worden gedeclareerd.
Daarnaast worden verrichtingen structureel gemist wanneer de uitvoering ervan niet direct aan de declaratie wordt gekoppeld. Een wondcontrole door de praktijkassistente, een spirometriemeting door de POH of een preventieve injectie: elk van deze contacten heeft een eigen prestatiecode, maar wordt in de dagelijkse drukte regelmatig niet apart geregistreerd.
Ook de drempelwaarde voor het declareren van een verlengd consult is een veelvoorkomend knelpunt. Medewerkers weten niet altijd wanneer een contact lang genoeg duurt om de hogere code te rechtvaardigen, of zij twijfelen en kiezen voor de veilige maar lagere code. Die twijfel kost de praktijk structureel inkomsten, terwijl het declareren van de juiste code volledig binnen de NZa-richtlijnen valt.
Via de training Optimaal Declareren van Ord’us worden precies deze patronen zichtbaar gemaakt en omgezet in eenduidige teamafspraken.
Hoe weet een praktijk of zij alle consulten correct declareert?
Een praktijk weet of zij correct declareert door de gedeclareerde prestatiecodes systematisch te vergelijken met de feitelijk geleverde zorg. Dat vereist drie stappen: inzicht in welke contacttypen en verrichtingen de praktijk levert, kennis van de bijbehorende prestatiecodes en tarieven, en een werkwijze waarmee registratie en declaratie consistent plaatsvinden door het hele team.
In de praktijk ontbreekt dit overzicht bij de meeste praktijken. Niet omdat de medewerkers onzorgvuldig zijn, maar omdat de kennis over declareren ongelijk is verdeeld, de interne afspraken impliciet zijn en de dagelijkse werkdruk weinig ruimte laat voor reflectie op declaratiegedrag. Het gevolg is dat fouten en omissies zich herhalen zonder dat iemand ze opmerkt.
Een concrete eerste stap is de rendementstest van Ord’us: een analyse die op basis van praktijkgegevens berekent hoeveel rechtmatige inkomsten een praktijk structureel laat liggen. Die test zet een concreet bedrag op het abstracte vermoeden dat er geld blijft liggen, zonder dat de praktijk daarvoor zelf de rekensommen hoeft te maken.
Structurele verbetering vraagt meer dan een eenmalige check. Het vraagt om gedeelde kennis, heldere taakverdeling en routines die declareren verankeren in het dagelijkse werk van het hele team, van huisarts tot POH tot assistente. Dat is precies wat Optimaal Declareren bewerkstelligt: niet alleen uitleggen wat mag worden gedeclareerd, maar dat omzetten in gedrag dat morgen al werkt.